Beste boekenliefhebber,

 

Het jaar is pas gestart en een eerste literair hoogtepunt dient zich al aan. Na indrukwekkend werk te hebben afgeleverd met zijn Frankrijktrilogie en een lijvige biografie van Napoleon heeft Bart Van Loo zich in een nieuw boek op zijn eigen afkomst gericht. In "De Bourgondiërs" duikt hij in een van de belangrijkste periodes in de ontwikkeling van de Lage Landen.

 

Hij keerde daarvoor niet enkel terug naar de 14e en 15e eeuw, maar begon zijn verhaal ruim een millennium daarvoor. Zo biedt Van Loo meteen ook een beeld van de ontwikkelingen die tot de Bourgondische periode hebben geleid. Bovendien was ook de band met Frankrijk onvermijdelijk. Van Loo voelt zich in "De Bourgondiërs" dus helemaal thuis.

 

We zijn dan ook verheugd u dit nieuwe boek te mogen voorstellen. Op 20 januari krijgt "De Bourgondiërs" een feestelijke lancering in de Brugse binnenstad en hieronder mogen we u ook reeds de proloog van het boek meegeven. Vanaf 17 januari ligt het boek in de boekhandel. U leest er hieronder alles over.

 
We wensen u alvast veel leesplezier en tot binnenkort. Met hartelijke groet,
Thomas Barbier, Yvonne Steinberger
En het team van De Reyghere
 

Update

Op de boekvoorstelling in Brugge hield cabaretier Wouter Deprez een humoristische rede over "De Bourgondiërs". Hieronder geven we ze graag met u mee. De stem van Deprez kunt u er ongetwijfeld zelf bij verzinnen. < Klik hier om verder te gaan >

 

 
 
         

 

 

Bart Van Loo duikt met nieuw boek in een sleutelperiode van de Lage Landen

 
 
 
Meesterverteller Bart Van Loo neemt de lezer op sleeptouw langs duizend jaar Europese geschiedenis. Zijn zoektocht voert hem naar het ontstaan van de Nederlanden in de vijftiende eeuw. En wat blijkt? De Lage Landen zijn een Bourgondische uitvinding.
 
De Bourgondiërs vertelt de geschiedenis van de vroege Nederlandse eenwording. Het is een wonderlijk relaas van ontbolsterende steden, ontwakend individualisme en uitstervende ridderidealen. Van schizofrene koningen, doortastende hertogen en geniale kunstenaars.
 
Terwijl de Bourgondische hertogen met veldslagen, huwelijken en hervormingen de versnipperde Lage Landen tot één geheel smeedden, ontstonden onder hun impuls de onvergetelijke werken van Klaas Sluter, Jan van Eyck en Rogier van der Weyden.
 
 
Bart Van Loo’s even spannende als leerrijke verkenning van de middeleeuwen groeit gaandeweg uit tot een wervelende cultuurgeschiedenis. Meeslepend en erudiet vertelt hij waar wij vandaan komen. Als geen ander weet Van Loo bevlogenheid, humor en kennis van zaken te combineren.

 
 
 
Schrijver en conferencier Bart Van Loo (1973) heeft zich de voorbije jaren ontwikkeld tot een zeldzaam dubbeltalent. Met zijn virtuoze minicolleges in De Wereld Draait Door raakte hij bekend bij het grote publiek, maar in de eerste plaats is Van Loo natuurlijk schrijver. Van zijn hand verschenen de alom geprezen Frankrijktrilogie (2011), Chanson (2011) en de bestseller Napoleon (2014).
 
         

 

 

Lees de proloog van "De Bourgondiërs"

 
 
 

‘Dat blanke tafelkleed van plekken spekvet, puur
Damast en vlekken Bourgogne plakt
Aan deze vingers en ontvouwt zich traag
Tussen twee strofen door.’

(Leonard Nolens: Een dichter in Antwerpen en andere gedichten, 2005)

 

PROLOOG

 

Echt aantrekkelijk zagen ze er niet uit. In hun vaalgroene stoffen omslag straalden ze sombere saaiheid uit. Maar eens je de boeken opensloeg, belandde je in een wereld van spanning en avontuur. Rond mijn veertiende heb ik de zes delen van ’s Lands Glorie (1949-1961) letterlijk stuk gelezen. Samen met de befaamde trilogie van Thea Beckman over de Honderdjarige Oorlog vormden ze in 1987 een sesam-open-u: de poort van de grote geschiedenis draaide breed open.

 

’s Lands Glorie was de eerste uitgave van de Maatschappij Historia. Je moest bonnetjes uitknippen die afgedrukt stonden op de verpakking van etenswaar. Met die bonnen kon je prenten bekomen. Op de achterkant stond een kort commentaar bij het betreffende beeld. Door de juiste producten te eten kon je kennis vergaren. Uiteindelijk plakte je de illustraties in de bijbehorende groene boeken. Die stonden lang niet alleen bij ons in de kast. Twee, drie generaties Belgen zijn ermee opgegroeid. De impact ervan valt niet te onderschatten.

 

In zijn beknopte teksten schuwde professor Jean Schoonjans de clichés niet. Hij had het over ‘degelijke en dappere soldaten’, noemde een als non geklede dame ‘een schrandere vorstin’ en bekritiseerde ‘de vreselijke hertog van Alva’. Hij legde een romantische filter over het verleden. En praatte ons enige fierheid aan. Het woord ‘glorie’ stond niet zomaar in de titel. De geest van de negentiende eeuw waaide over de bladzijden.

 

In Schoonjans’ hardnekkig belgicistische lezing van de geschiedenis leek het alsof ons land altijd had bestaan, alsof de bewoners zich tweeduizend jaar geleden al bewust waren van hun identiteit. Las ik bij hem niet dat ‘de Belgen’ in 57 voor Christus ‘een gelukkig volk waren’? Maar toen kwamen de Romeinen. Dat was op pagina negen en ik zat al op het puntje van mijn stoel. Niet veel later stelde Schoonjans dat ‘de Belgen’ bij de verovering van Jeruzalem ‘een beslissende rol speelden.’ Ik was zo gebeten dat ik zelfs de romans van Thea Beckman terzijde legde. Dat ik haar bedroog met de schoolmeesterachtige teksten van Schoonjans lijkt onverklaarbaar. Maar ’s Lands Glorie bezat een andere troef.

 

Wat de reeks niet alleen aantrekkelijk, maar ook onvergetelijk maakte, waren de illustraties van Jean-Léon Huens. Vaak liet hij zich inspireren door schilderijen van oude meesters — mijn eerste Van Eyck of Van der Weyden zag ik door zijn ogen — maar net zo goed ging hij zijn eigen gang. Hij probeerde onverwachte gezichtspunten uit, kadreerde verrassend, schilderde tronies van stervende mensen. Zijn realistische stijl verankerde zich in mijn geheugen. Heeft iemand het over Karel Martel, Godfried van Bouillon of Willem van Oranje dan verschijnen ze in mijn hoofd zoals hij ze ooit verbeeldde.

 

Het hoogtepunt van zijn kunnen stond op bladzijde vijftien van deel III, onder het kopje N° 182: Nancy. Meestal serveerde Huens een sprekend portret, een aangrijpende scène of een detail van een of andere veldslag, maar deze keer blonk zijn illustratie uit in ogenschijnlijke leegte.

 

Telkens als ik deze prent zie, ben ik weer veertien. Zie ik opnieuw dat winterlandschap zoals ik het toen zag: een boom, een met sneeuw bedekte vlakte, twee gewapende mannen die in de verte komen aanlopen. Ik verbaasde me over de kaalheid van die overwegend sneeuwwitte illustratie. De boom en de mannen waren details in de marge. Benieuwd las ik het commentaar van Schoonjans: ‘In 1477 belegerde Karel de Stoute de stad Nancy. Hij vond er de dood in een gevecht waarvan de omstandigheden duister zijn gebleven. Zijn lijk werd, half verslonden door de wolven, onder de sneeuw teruggevonden.’ Opnieuw keek ik naar de prent en toen pas zag ik hoe zich in de schaduw van de boom een donkere vlek aftekende in de sneeuw. Je kon er de contouren van een dood lichaam in ontwaren.

 

Mijn ogen moeten van tekst naar prent en weer terug zijn gesprongen. Steeds dezelfde vragen doken op. Wie was Karel de Stoute? Waarom heette hij zo? Wat was hem in godsnaam overkomen bij Nancy? En hoe zat het met die wolven? Hoezeer ik door het verdere verloop van de geschiedenis ook werd gegrepen, telkens keerde ik terug naar deze illustratie.

 

Naar de wolven, de sneeuw, het lijk… naar het mysterie van Nancy.

 

Pas dertig jaar later zou ik het helemaal uitvlooien. De tragische ondergang van Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, is namelijk een belangrijk element van dit boek, waarin ik niet alleen op zoek ga naar de ware toedracht van deze anekdote, maar ook naar datgene wat

Huens en Schoonjans in ’s Lands Glorie op hun manier probeerden boven te spitten: de oorsprong van onze contreien. En dan bedoel ik niet België, want alle goede bedoelingen van Schoonjans ten spijt doken eerst de Lage Landen op, pas daarna was er sprake van België en Nederland.

 

Uiteindelijk las ik in 1987 weer verder in Thea Beckman. Na Geef me de ruimte! (1976) volgden Triomf van de verschroeide aarde (1977) en Het rad van fortuin (1978). Ontelbare Belgen en deze keer ook Nederlanders verslonden de avonturen van Marije alias Marie-Claire en haar zoon Matthis. Hun avonturen tijdens de Honderdjarige Oorlog beschouw ik als mijn eerste grote leeservaring. Dit was het ware leven: dikke boeken lezen die eeuwenoude gebeurtenissen nieuw leven inblazen, in de huid van iemand anders kruipen, trillen van emotie en spanning. En tegelijkertijd veel bijleren.

 

Beckman liet haar trilogie spelen in de jaren 1346-1369. Ze voerde personages ten tonele die me nog jarenlang zouden achtervolgen: Bertrand du Guesclin, Jan de Goede, Karel v, Etienne Marcel. Om nog te zwijgen van het decor: de slag bij Crécy en die bij Poitiers, het Parijs en het Brugge van de veertiende eeuw. Ze komen allemaal voor in het boek dat u nu in handen hebt. De periode tussen haar drieluik en de dood van Karel de Stoute vormt er het kloppende hart van.

 

Sommige leeservaringen zijn zo sterk dat ze decennialang blijven gisten, om dan als een duiveltje uit een doosje tevoorschijn te springen. Op een dag kon ik de verleiding niet meer weerstaan en dook in de bres die Beckmans trilogie en Huens’ prent nummer 182 in mijn verbeelding hadden geslagen. We zijn zelf net zoals de wereld om ons heen: de vrucht van het verleden.

 

 

 

Jarenlang keek ik over het muurtje. De blik ging steevast zuidwaarts. Naar Frankrijk. Door me te laven aan die cultuur ben ik geworden wie ik ben. Pas veel later stelde ik vast dat mijn voeten al die tijd hier waren blijven staan. Eerst nog in de zanderige ondergrond van de Kempen, dan in Antwerpse straten, uiteindelijk in de West-Vlaamse klei en door mijn steeds frequentere doortochten in het noorden ook in de Hollandse polders. Plotseling liet mijn blik de zuidelijke horizon in de steek en zakte naar beneden. De plek waar mijn voeten stonden begon me te intrigeren. Hoe kon ik al die jaren mijn wortels zo hebben verwaarloosd?

 

Onze geschiedschrijving staat bol van de boekwerken waarin wordt uitgelegd hoe de Nederlanden eind zestiende eeuw uit elkaar vielen. De historiografie heeft zoveel aandacht voor die pijnlijke boedelscheiding dat we ons zelden de vraag stellen hoe het daarvoor zat. Alsof we altijd samen waren geweest.

 

Ik begon te lezen en reisde door de tijd langs Dijon, Parijs, Rijsel, Brugge, Gent, Brussel, Delft, Gouda, Nijmegen en ’s Hertogenbosch. Ik zag ontbolsterende steden, ontwakend individualisme en uitstervende ridderidealen. Schizofrene koningen, doortastende hertogen en geniale kunstenaars. Brandstapels en banketten, pest en steekspelen, Jeanne d’Arc, Filips de Goede en het Gulden Vlies. De lange zoektocht leidde me naar het ontstaan van de Nederlanden in de vijftiende eeuw. En wat bleek? De Lage Landen zijn een Bourgondische uitvinding.

 

Uiteraard bestond al ontelbare jaren het geografisch gegeven van de ‘lagen landen bi de zee’, zoals een anonieme monnik het ooit verwoordde, maar de inwoners van de daar gesitueerde vorstendommen leefden meestal in hoge mate onafhankelijk van elkaar. De domeinen vormden de losse delen van wat pas in de late middeleeuwen werd samengesmolten. De Bourgondische hertogen Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede en de bij Nancy omgekomen Karel de Stoute speelden in dit proces een vooraanstaande rol en ontpopten zich als de aartsvaders van de eengemaakte Nederlanden. Filips de Stoute legde de basis, zijn nazaten bouwden de erfenis uit en kleinzoon Filips de Goede zou de onder zijn gezag verenigde landen aan de benedenloop van Rijn, Maas en Schelde voor het eerst een staatkundige dimensie geven.

 

Alles begon toen Filips de Stoute als hertog van Bourgondië in het huwelijk trad met Margaretha van Male, de dochter van de Vlaamse graaf. Hun trouwfeest in Gent op 19 juni 1369 leek dan ook de gedroomde opening voor dit boek. Alleen had ik na drie bladzijden al vijftien voetnoten nodig wilde ik mijn tekst niet nodeloos verzwaren door iemand als Lodewijk van Male te situeren, of een begrip als feodaliteit uit te leggen. Kortom, ik had een aanloop nodig of het verhaal zou bezwijken onder informatie waarvan ik niet kon veronderstellen dat elke lezer ze paraat heeft.

 

Een halve eeuw eerder beginnen zou wel volstaan. Toch niet, zo bleek. Dan maar honderd jaar? Uiteindelijk gooide ik de hengel zowat een millennium eerder uit. Als ik nu eens bij wijze van start, zo dacht ik, het grote verhaal van de middeleeuwen probeerde te vertellen vanuit het standpunt van de oude Bourgondiërs, het Germaanse volk dat voor het eerst in onze geschiedenis opdook in 406, de koninklijke voorgangers van de hertogen uit de veertiende en vijftiende eeuw? Het was een pittige uitdaging om dit grotendeels in nevelen gehulde tijdperk op een alternatieve manier tot leven te roepen, maar het loonde de moeite. Niet alleen wezen de oude krijgers de weg naar tal van historische sleutelmomenten, ze losten bovendien mijn probleem op: de lezer zou de Bourgondische reis met de juiste bagage ondernemen.

 

Bestrijkt het eerste deel van het boek bijna duizend jaar (406-1369), het volgende beslaat een eeuw (1369-1467). In het derde deel komt een decennium (1467-1477) aan bod. Volgen de delen vier en vijf, die welgeteld een jaar (1482) en een dag duren. Dit boek heeft de vorm van een omgekeerde piramide. Het spreidt zijn vleugels breed uit, vliegt aanvankelijk met snelle halen hoog over de middeleeuwen, neemt dan de tijd de gebeurtenissen van dichterbij te observeren en terwijl de focus steeds scherper wordt, stevent het traag, maar zeker af op een welgekozen eindpunt, een vergeten dag in Lier, een stadje in het vroegere hertogdom Brabant, de plek waar op 20 oktober 1496 de westerse geschiedenis kantelde.

 

Alsof Frankrijk me voor bewezen diensten wilde bedanken stuurde het tien jaar geleden een Française op mijn pad — daar kan geen Légion d’honneur tegenop. Op de koop toe bleek ze uit een Bourgondische familie te stammen en had ze haar jeugd gesleten in het oude hertogdom. Welgeteld 647 jaar na de trouwerij van Filips de Stoute en Margaretha van Male vierden wij ons Vlaams-Bourgondische huwelijk. De bruidsschat was minder imposant en het banket kon evenmin tippen aan de gargantueske feestmalen van de Bourgondische hertogen, maar de beslissing om te trouwen kwam ongeveer tegelijkertijd met het voornemen om de historische band tussen Bourgondië en de Nederlanden te boek te stellen. Mijn kersverse echtgenote moest toegeven dat ze ondanks haar afkomst weinig of niets van de hertogen wist, laat staan van de band met onze gewesten. In de Franse geschiedenis is Bourgondië altijd een ondergeschoven kindje geweest. Wie het verhaal kent begrijpt waarom.

 

Onze piepjonge dochter volgde het hele proces vanaf de eerste rij. Het Frans en het Nederlands kreeg ze met de paplepel ingegoten. Vandaag steekt ze zonder het te beseffen tientallen keren per dag de taalgrens over. Een paar keer per jaar reist ze ook letterlijk naar het zuiden, meer bepaald naar het Bourgondische moederland. Ik besloot haar gaandeweg over mijn nieuwe boek te vertellen. Misschien schreef ik het in de eerste plaats wel voor haar? Was zij niet Frans-Belgisch? Vlaams-Bourgondisch? Kortom, de ideale lezer van het in wording zijnde boek?

 

Kon ze na mijn vorige werk al behoorlijk goed de veldslagen van Napoleon scanderen, nu verbaast ze museumbezoekers. Toen ik haar onlangs in het Musée des Beaux-Arts van Dijon meenam naar het portret van een in het zwart gehulde kerel met een klare blik, een zwarte kaproen op zijn hoofd en de keten van het Gulden Vlies om zijn nek, vroeg ik haar onvoorbereid of ze wist wie dit heerschap was. Gezwind en zonder nadenken antwoordde de niet eens vierjarige meid: Filips de Goede! 

 

Alvast één iemand die de man op de cover van mijn boek zou herkennen, dacht ik, het mooist bewaarde portret van de eigenlijke stamvader van de Nederlanden, naar een verloren origineel van Rogier van der Weyden. Terwijl de hertogen met veldslagen, huwelijken en hervormingen de versnipperde Lage Landen tot één geheel smeedden, ontstonden onder hun impuls de onvergetelijke werken van Klaas Sluter, Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en Hugo van der Goes. Het verhaal van de Bourgondiërs vertellen is als het openen van een schatkist vol meesterwerken.

 

De gretigheid om na mijn vorige boeken eindelijk in de geschiedenis van de Nederlanden te duiken was groot. Tijdens het schrijfproces viel me evenwel op dat ik niet anders kon dan grote delen van de Franse geschiedenis in mijn verhaal te betrekken. Tenslotte was Filips de Stoute, de eerste van de vier hertogen, de jongste zoon van de Franse koning Jan de Goede, broer van Karel v en regent van de jonge Karel vi. De spanning tussen Frankrijk en Bourgondië (en later, de Bourgondische Nederlanden) drong zich op als een onvermijdelijke rode draad.

 

Ik moest toegeven dat het anders liep dan verwacht. Wilde ik het verhaal van de Lage Landen goed uit de doeken doen, dan moest ik immers beginnen met wat ik juist had willen vermijden: over het muurtje kijken. Daar ging mijn blik opnieuw zuidwaarts. De ogen gericht op Frankrijk. Pas gaandeweg trok mijn verhaal naar het noorden. Dat ging stapsgewijs. Stukje bij beetje. Het proces weerspiegelde perfect de evolutie die ikzelf had doorgemaakt.

 

De wortels van onze contreien lopen ondergronds door naar het zuiden. Ik had het nooit kunnen bevroeden, maar mijn zuidwaartse blik en noordelijke roots waren gedoemd om elkaar te kruisen.

 

Bart Van Loo

Druy-Parigny (Bourgondië), zomer 2015 – Moorsele (Vlaanderen), herfst 2018

 
 
         

 

Wouter Deprez over "De Bourgondiërs"

 
 
 

Beste mensen, welkom op deze boekvoorstelling. Misschien bent u wat verwonderd om hier een eenvoudige cabaretier aan te treffen, bij zulke plechtige gelegenheid en voor zo’n prestigieus boek. Wel, ik kan u zeggen dat de eenvoudige cabaretier niet minder verwonderd is dan u.

 

Ik zou liegen als ik zeg dat ik thuis ben in de geschiedenis van Bourgondië. En ik zou zelfs liegen als ik zeg dat ik goed thuis ben in de geschiedenis van Vlaanderen. Zoals mij moeder zegt: ‘Wat voorbij is, is voorbij.’ Zoals mijn mindfulness-leraar zegt: ‘Ge moet leven in het nu.’ En zoals mijn autorijleraar zei: ‘Kijkt voor u.’

 

Groot was dan ook mijn verwondering toen genaamde Bart Van Loo aan mij vroeg of ik zijn nieuwe boekje wilde lezen, en er mijn hoogstpersoonlijke kijk op geven. Maar ik moet zeggen dat het mij interesseerde, nadat hij verteld had dat hij al boeken had geschreven over boeiende onderwerpen, zoals over Franse chansons, en over het Napoleonsnoepje. In de veronderstelling dat ook dit boekje over een luchtig onderwerp zou gaan, en makkelijk weg zou lezen, zei ik enthousiast ja. Ook vermoedde ik dat deze opdracht betaald zou zijn. 

 

Meneer Van Loo, ik heb uw boekje volledig gelezen, ook al bestaat uit maar liefst 580 pagina’s. Maar ik zal mij wél aan mijn afspraak houden, en ik zal het publiek en u graag vertellen wat ik van het boek vind.

 

Meneer Van Loo schiet als een dolle windhond uit de startblokken vanop de eerste pagina’s: hij begint met maar liefst vier citaten, dan de inhoudstafel, nog een citaatje voor de proloog, die zeven pagina’s beslaat. Nadien meldt hij dat hij achterin ook nog de stambomen meegeeft van de hoofdfiguren, een reeks miniaturen, enkele korte biografische schetsen, een paar kaarten en een tijdlijn. 

 

Het is duidelijk: dit is een auteur in topvorm, ambitieus, onvermoeibaar, heroïsch, en met grootse plannen. In het eerste hoofdstuk verslaat meneer Van Loo maar liefst 1000 jaar, een energieke heldendaad is het. In het tweede hoofdstuk, nog steeds impressionant, beschrijft hij in uitgebreid detail 100 jaar. In het derde hoofdstuk voelen we de krachten van de auteur afnemen, en krijgt Bart Van Loo nog tien jaar beschreven. In het vierde hoofdstuk slaat de uitputting toe en krijgt de schrijver nog één jaar verwerkt. En de schrijver eindigt met een hoofdstuk waarin hij met zijn laatste restjes energie nog een paar letters in min of meer de juiste volgorde na mekaar gezet krijgt, daarin beschrijft hij één dag. Het vergt weinig verbeelding om te weten dat de schrijver na het laatste woord van dit hoofdstuk door zijn echtgenote met hoge snelheid naar de spoed gebracht is. Na een retraite van drie maanden in een tbc-centrum in de Zwitserse bergen heeft hij dan waarschijnlijk zijn moed nog éénmaal bijééngeschraapt voor een epiloogje. 

 

Toch heeft deze inhoudstafel me allesbehalve tegengehouden om aan hoofdstuk één te beginnen. Vanaf pagina één ging het dadelijk volop over de stijgende migratiedruk in de laatste eeuw van het Romeinse Rijk. Ik dacht: zou meneer Van Loo diegene zijn die al die speeches schrijft voor N-VA voorzitter Bart de Wever? Bleek dat het eerste hoofdstuk zou beschrijven hoe de latere Bourgondiërs van een onooglijk, achterlijk eilandje in de Oostzee naar het glorieuze latere Bourgondië waren gemigreerd. Ik snapte dadelijk de fascinatie van meneer Van Loo voor deze volksstam. De tongval die ik bij meneer Van Loo aan de telefoon had herkend, was overduidelijk Kempisch, en op Wikipedia vond ik dat meneer van Loo ondertussen in de provincie West-Vlaanderen woonde. De sociale promotie die de Bourgondiërs maakten op een paar honderd jaar, maakte deze schrijver in één mensenleven. En omdat hij de sociale vaardigheden mist om zijn blijdschap en trots daarover rechtstreeks mee te delen, codeert hij die gevoelens via de geschiedenis van de Bourgondiërs, een geprojecteerde geschiedenis als het ware.

 

Toch las ik het hoofdstuk met genoegen. Wat een interesse in geschiedenis heeft deze man, dacht ik. Traag begon het mij te dagen dat zijn vorig boek misschien niet over het Napoleonsnoepje ging, maar wellicht over Napoleon zelf. Waw, dacht ik, daar moet je wel lef voor hebben, Napoleon was op een bepaalde manier toch een beetje de Hitler van zijn tijd. Met een volledig boek geef je wel heel hard je fascinatie voor dat menstype bloot. Ik herkende die fascinatie in de manier waarop meneer van Loo in het eerste hoofdstuk Attila de Hun beschrijft: hij ziet hem als een uitzonderlijke leider, dé barbaar van zijn tijd, waarbij hij zijn bewondering nauwelijks verhuld. Klein, maar slim en uitzonderlijk, zo omschrijft meneer Van Loo hem. Net zoals Napoleon, die over gelijkaardige kwaliteiten zou beschikken, volgens meneer Van Loo. En nu ik meneer Van Loo in het echt zie, snap ik ook zijn noodzaak om te geloven dat kleine mensen grote daden kunnen leveren, zelfs als je daarvoor wat tussen de psychopaten moeten beginnen rommelen. 

 

Met smaak beschrijft Bart Van Loo verder de oude Bourgondiërs, hoe zij een onbegrijpelijk taaltje babbelen en  hun haar insmeerden met ranzige boter. En op dat moment snapte ik ook dat Bart Van Loo hier eigenlijk zijn eigen Kempische jeugd aan het beschrijven was. Dat gevoel versterkt nog als hij de strafmaten in het Germaanse rechtssysteem beschrijft. Hoe een man die een jachthond had gestolen in het openbaar het achterste van het beest moest kussen, bijvoorbeeld. 

 

Eerst vond ik dit gebruik wonderlijk, maar iets later begon ik me -voor de eerste, maar allesbehalve de laatste keer- af te vragen of alles in het boek wel echt gebeurd was. Natuurlijk staan er hier en daar waargebeurde zaken in dit boek, daar twijfel ik absoluut niet aan. De kerstening van Clovis passeert de revue, Karel Martel die de Moren tot stand brengt, dat herinnerde ik me nog wel van de historische platen tussen de stalen knijper in het derde leerjaar bij meester Valcke. Maar figuren als Richard de Rechtsbrenger? Lodewijk de Luie? Bayezid de Bliksem? Dat zijn toch eerder Suske en Wiske-titels dan historische personages. Mijn argwaan werd nog groter bij Lodewijk de Twister, Vikingleider Rollo en zijn zoon Willem Langzwaard. Toen wist ik: dit is een valstrik. Ik bevind mij in een verborgencamera-programma. En de bedoeling was dat ik hier vandaag met veel pretentie zou zeggen dat genaamde Bart Van Loo een historisch meesterwerk had geschreven dat de Nobelprijs verdient. Waarschijnlijk zou de boekvoorstelling doorgaan in een historische kapel, zou er een gevestigde radiopresentatrice een interview afnemen. Tot overmaat van ramp zou een witharige professor emeritus uit het makkelijkste buitenland -Nederland- wat historische kennis over de middeleeuwen presenteren. Nadien zou ik voor een miljoenenpubliek genadeloos uitgelachen worden met mijn totaal gebrek aan historische kennis. En met het feit dat ik mij belangrijker en slimmer wou voordoen dan ik in het echt ben. De verhalen werden steeds gekker: dat er twee pauzen tezelfdertijd zouden geweest zijn. De ene heette Clemens, tot daar aan toe. Maar de andere heette Urbanus. Dat foutje hadden jullie niet mogen maken, daarvoor ken ik mijn eigen vakgebied te goed. En dat Jan zonder Vrees een stuk van de schedel van één van de elfduizend maagden van de Heilige Ursula zou gehad hebben? Ze gaan tegenwoordig heel ver bij televisie, dacht ik, dat je zeshonderd pagina’s vult met dit soort nonsens om iemand één keer beet te nemen. 

 

Toch bleef ik lezen, want hoewel overduidelijk bij mekaar gelogen, was het boek wel heel goed geschreven. Als jij het inderdaad bent die het heeft geschreven, Bart Van Loo, dan moet ik dit toegeven: je kunt schrijven. Ik heb geboeid gelezen over de volksopstanden die in gans Europa uitbraken, over de slag bij Westrozebeke, over de trouwmantel van Margaretha van Vlaanderen die gemaakt was van tweehonderd eekhoorns, de strijd tussen Gent en Brugge, en de Witte Kaproenen. Héél goed gevonden, allemaal. Je hebt een wonderbaarlijke verbeelding. 

 

Het was bij de beschrijving van de maaltijden op het trouwfeest van Filips de Stoute en Margaretha van Vlaanderen dat ik begreep dat dit hier toch geen dwaze verborgencamera-truuk is. Je had het over varkensbuiken die volgepropt werden met aan elkaar geregen worstjes die bij het opensnijden als een copieuze paternoster op tafel gulpten, over een konijnenlijf waar een kippenkop op geplaatst werd, hoe een gesneden haan, een kapoen, schrijlings op een gebraden varkentje werd gepresenteerd, over een met gekruid gehakt gevulde pauw wiens huid en veren er na het vullen weer werden opgezet, waarna de pauw met brandewijn en een vod in zijn bek met een lucifer wordt aangestoken en zo vuurspuwend de zaal wordt binnengedragen. Dit gaat verder dan gewone verbeelding, snapte ik. Bart Van Loo, daar doe je iets dat tussen fantasie en waanzin in zit. Wat je daar neerschrijft, is een gastronomische psychose. En zonder een expert te zijn, kan ik met gezond verstand toch raden dat je die krijgt door een extreme onderdrukking van je lusten, je lichamelijke zin om te genieten, en te eten te onderdrukken. Je rationaliseert die lust met je brein, en je laat anderen in jouw plaats eten. Je plaatst het gastronomisch genot waar je zo naar verlangt, in het verleden, in de middeleeuwen, zo ver mogelijk weg, in je hoedanigheid van zogezegde historicus. Dit boek is een rationalisering van je lusten. Maar tezelfdertijd is het natuurlijk ook een kreet om hulp. Dat is wat ik dacht. Maar ook raakte ik meer en meer gefascineerd, en ik begreep dat we hier met een complex boek te maken hebben, een onbedoeld meesterwerk van de art brut. Het roept de vraag op: kun je een kunstenaar zijn als je niet begrijpt wat je hebt gemaakt?

 

Ik vroeg me af of je een sleutel verborgen had in het boek. Had je jezelf in het boek verstopt, als personage? Even dacht ik: Johanna de Waanzinnige? Maar dat zou er al te dik opgelegen hebben. Die gekke Franse koning Karel de kweetniehoeveelste, die paranoïde begint in te hakken op zijn eigen troepen? Nee, dat is een ander soort gekte. Bart, ik twijfelde tussen twee personages. De kroniekschrijver Deschamps, immer mopperend, slechtgezind, cynisch, contrarie. Maar nu ik je in het echt zie, herken ik er jou niet in. Jij bent enthousiast en gedreven, een overjaarse tiener die overdoset op hormonen en natuurlijke ADHD. Deschamps moet jichtig zijn, ineengekrompen, mondhoeken naar beneden. Het contrasteert te hard met jouw aangeboren manische toestand. Deze week  zag ik je op televisie, je zat naast Jean-Marie Dedecker. hij had net een kwartier waarheden met onwaarheden afgewisseld en voortdurend anderen onderbroken, maar jij kreeg hem stil, met je bevlogenheid, in een heel meeslepende monoloog. Nu hebben mythomanen wel vaker een bepaalde manipulatieve vorm van charisma, maar bij jou zit er ook echtheid in, iets dat werkelijk contact wil leggen. Bart Van Loo, ik denk dat jij in het boek de huisleraar bent van Jan zonder Vrees. Boudewijn van der Nieppe. Hij probeert de gang der zaken uit te leggen aan zijn jonge pupil. Hij legt uit hoe de wereld in mekaar zit, wat er politiek speelt en hoe macht werkt. Hoe je politiek moet schaken, hoe emotie en ratio een evenwicht zoeken. En in zijn uitleg is de geschiedenis en de feitelijkheid ervan ondergeschikt aan de waarheid van de gedragingen van de hoofdfiguren. De hoofdfiguren, hoe machtig ook, zijn mensen, en we herkennen ons in hun maar al te menselijke gedragingen. Zoals Boudewijn de geschiedenis vertelt, gaat het niet over die ene loop van de zaken, zoals geschiedenis in onze contreien vaak wordt bekeken, als een afgietsel van die werkelijke Bijbelse waarheid, die geordende kosmos met wetmatigheden die God voor ons gemaakt heeft en waar hij een bedoeling mee heeft. Nee, Boudewijn van der Nieppe doceert met geestdrift voornamelijk mensenkennis, sociologie met boerenverstand. En dat is ook wat jij ook doet, Bart Van Loo, met deze ontzagwekkende... roman. 

 

Er is meer. Je brengt in deze roman zo vaak een ode aan de schoonheid. De echte of verzonnen vorsten, hertogen, graven willen mekaar overtroeven met weelde en esthetiek, en ze geven grote opdrachten aan grote kunstenaars, aan de gebroeders Van Eyck, aan Rogier van der Weyden. Het meeste indruk op mij maakte jouw omschrijving van Champmol, een mausoleum dat hertog Filips de Stoute in Dijon op het eind van de veertiende eeuw liet bouwen. Een ongelooflijk ontroerende plek moet het zijn, met een variëteit aan kunstwerken gemaakt door de beste kunstenaars van hun tijd. Je toonde er op televisie ook een foto van, ik dacht van een grafmonument, en treurende beeldjes. Dat toont ook weer hoe ver je gaat. Die beeldjes bestonden natuurlijk niet, tot jij ze verzon en beschreef in dit boek. Nadien zat er niks anders op dan de beeldjes ook echt te maken, zodat mensen jouw verzonnen werkelijkheid in het echt konden gaan bekijken. Bart, de beeldjes die ik op de foto zag en die jij hebt gebeeldhouwd, zijn ongelooflijk mooi. Je bent een totaaltalent, Bart, dat bereid is om jaren monnikenwerk te verrichten om een prachtig verhaal helemaal te doen kloppen. En het is ook op dat moment dat ik snapte dat jij ook de schilder bent van het Lam Gods. En dat jij en je vrouw elke avond met een glas Bourgogne in de hand in jullie woonkamer zitten te staren naar het paneel van de Rechtvaardige Rechters.

 

Bart, je hebt overduidelijk een geweldige bewondering voor de kunstenaars die je hebt verzonnen, het métier dat ze beheersen en de persoonlijke uitdrukkingskracht die ze in hun en dus in jouw werken leggen. Maar je hebt ook een bijzondere waardering voor de mecenassen die hen kwistig geld toegestoken zouden hebben. Mijn vermoeden is dit: Jij hoopt met dit meesterwerk een mecenas aan te trekken, die zo onder de indruk is van wat je schreef dat hij een permanente geldkraan openzet voor jou. En toen snapte ik ook waarom je mij belde voor deze bespreking. Maar Bart, ik ben eerder het type dat zelf ook op zoek is naar een mecenas. En de kans is groot, Bart, dat na dit boek een mecenas niet meer nodig zal zijn. Het wordt een bestseller, in Bourgondië, Henegouwen, Normandië, Zeeland, Luik, Limburg, Brabant, het graafschap Vlaanderen, Gelre, Beieren, Frankrijk, Engeland en Schotland, en in nog wat laatmiddeleeuwse contreien die ik hier vergeet. Want, Bart van Loo, je hebt een waanzinnig goede roman geschreven die zo intelligent bij mekaar gelogen vind dat ik het ook een waanzinnig meeslepend historisch naslagwerk vind. Vanuit de grond van mijn hart, proficiat, en bij gebrek aan betaling hoop ik straks op een glas Bourgognewijn waarmee ik het boek een fantastische gezondheid en een lang leven kan toewensen. Want dat is wat het verdient.

 

Wouter Deprez

Brugge, 20 januari 2019