Beste boekenliefhebber,

 

Het jaar is pas gestart en een eerste literair hoogtepunt dient zich al aan. Na indrukwekkend werk te hebben afgeleverd met zijn Frankrijktrilogie en een lijvige biografie van Napoleon heeft Bart Van Loo zich in een nieuw boek op zijn eigen afkomst gericht. In "De Bourgondiërs" duikt hij in een van de belangrijkste periodes in de ontwikkeling van de Lage Landen.

 

Hij keerde daarvoor niet enkel terug naar de 14e en 15e eeuw, maar begon zijn verhaal ruim een millennium daarvoor. Zo biedt Van Loo meteen ook een beeld van de ontwikkelingen die tot de Bourgondische periode hebben geleid. Bovendien was ook de band met Frankrijk onvermijdelijk. Van Loo voelt zich in "De Bourgondiërs" dus helemaal thuis.

 

We zijn dan ook verheugd u dit nieuwe boek te mogen voorstellen. Op 20 januari krijgt "De Bourgondiërs" een feestelijke lancering in de Brugse binnenstad en hieronder mogen we u ook reeds de proloog van het boek meegeven. Vanaf 17 januari ligt het boek in de boekhandel. U leest er hieronder alles over.


We wensen u alvast veel leesplezier en tot binnenkort. Met hartelijke groet,

Thomas Barbier, Yvonne Steinberger

En het team van De Reyghere

 
 
         

 

 

Bart Van Loo duikt met nieuw boek in een sleutelperiode van de Lage Landen

 
 
 
Meesterverteller Bart Van Loo neemt de lezer op sleeptouw langs duizend jaar Europese geschiedenis. Zijn zoektocht voert hem naar het ontstaan van de Nederlanden in de vijftiende eeuw. En wat blijkt? De Lage Landen zijn een Bourgondische uitvinding.
 
De Bourgondiërs vertelt de geschiedenis van de vroege Nederlandse eenwording. Het is een wonderlijk relaas van ontbolsterende steden, ontwakend individualisme en uitstervende ridderidealen. Van schizofrene koningen, doortastende hertogen en geniale kunstenaars.
 
Terwijl de Bourgondische hertogen met veldslagen, huwelijken en hervormingen de versnipperde Lage Landen tot één geheel smeedden, ontstonden onder hun impuls de onvergetelijke werken van Klaas Sluter, Jan van Eyck en Rogier van der Weyden.
 
 
Bart Van Loo’s even spannende als leerrijke verkenning van de middeleeuwen groeit gaandeweg uit tot een wervelende cultuurgeschiedenis. Meeslepend en erudiet vertelt hij waar wij vandaan komen. Als geen ander weet Van Loo bevlogenheid, humor en kennis van zaken te combineren.

 
 
 
Schrijver en conferencier Bart Van Loo (1973) heeft zich de voorbije jaren ontwikkeld tot een zeldzaam dubbeltalent. Met zijn virtuoze minicolleges in De Wereld Draait Door raakte hij bekend bij het grote publiek, maar in de eerste plaats is Van Loo natuurlijk schrijver. Van zijn hand verschenen de alom geprezen Frankrijktrilogie (2011), Chanson (2011) en de bestseller Napoleon (2014).
 
         

 

 

Boeklancering van "De Bourgondiërs" in Brugge 

 
 
 
Brugge speelt een belangrijke rol in het verhaal van De Bourgondiërs en dus uiteraard ook in dit nieuwe boek. De officiële voorstelling mag dan ook in onze historische stad doorgaan. Bart Van Loo stelt op zondag 20 januari zijn werk voor in ruim gezelschap.
 
Hoofdredacteur Haye Koningsveld houdt een welkomstwoord, prof. dr. Herman Pleij leidt het boek in, waarna de auteur in gesprek gaat met Ruth Joos. Cabaretier Wouter Deprez rondt het geheel op zijn eigenzinnige manier af.
 
In nauwe samenwerking met uitgeverij De Bezige Bij.
 
Boeklancering De Bourgondiërs
Wanneer? Zondag 20 januari 2019 om 11u
Waar? Joseph Ryelandtzaal - Achiel Van Ackerplein 3, Brugge
 
De boekvoorstelling is momenteel volzet.
Aanmelden voor de wachtlijst kan via een mailtje aan Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. . We brengen u op de hoogte indien er plaatsen vrijkomen.

 
 
         

 

 

Lees de proloog van "De Bourgondiërs"

 
 
 

‘Dat blanke tafelkleed van plekken spekvet, puur
Damast en vlekken Bourgogne plakt
Aan deze vingers en ontvouwt zich traag
Tussen twee strofen door.’

(Leonard Nolens: Een dichter in Antwerpen en andere gedichten, 2005)

 

PROLOOG

 

Echt aantrekkelijk zagen ze er niet uit. In hun vaalgroene stoffen omslag straalden ze sombere saaiheid uit. Maar eens je de boeken opensloeg, belandde je in een wereld van spanning en avontuur. Rond mijn veertiende heb ik de zes delen van ’s Lands Glorie (1949-1961) letterlijk stuk gelezen. Samen met de befaamde trilogie van Thea Beckman over de Honderdjarige Oorlog vormden ze in 1987 een sesam-open-u: de poort van de grote geschiedenis draaide breed open.

 

’s Lands Glorie was de eerste uitgave van de Maatschappij Historia. Je moest bonnetjes uitknippen die afgedrukt stonden op de verpakking van etenswaar. Met die bonnen kon je prenten bekomen. Op de achterkant stond een kort commentaar bij het betreffende beeld. Door de juiste producten te eten kon je kennis vergaren. Uiteindelijk plakte je de illustraties in de bijbehorende groene boeken. Die stonden lang niet alleen bij ons in de kast. Twee, drie generaties Belgen zijn ermee opgegroeid. De impact ervan valt niet te onderschatten.

 

In zijn beknopte teksten schuwde professor Jean Schoonjans de clichés niet. Hij had het over ‘degelijke en dappere soldaten’, noemde een als non geklede dame ‘een schrandere vorstin’ en bekritiseerde ‘de vreselijke hertog van Alva’. Hij legde een romantische filter over het verleden. En praatte ons enige fierheid aan. Het woord ‘glorie’ stond niet zomaar in de titel. De geest van de negentiende eeuw waaide over de bladzijden.

 

In Schoonjans’ hardnekkig belgicistische lezing van de geschiedenis leek het alsof ons land altijd had bestaan, alsof de bewoners zich tweeduizend jaar geleden al bewust waren van hun identiteit. Las ik bij hem niet dat ‘de Belgen’ in 57 voor Christus ‘een gelukkig volk waren’? Maar toen kwamen de Romeinen. Dat was op pagina negen en ik zat al op het puntje van mijn stoel. Niet veel later stelde Schoonjans dat ‘de Belgen’ bij de verovering van Jeruzalem ‘een beslissende rol speelden.’ Ik was zo gebeten dat ik zelfs de romans van Thea Beckman terzijde legde. Dat ik haar bedroog met de schoolmeesterachtige teksten van Schoonjans lijkt onverklaarbaar. Maar ’s Lands Glorie bezat een andere troef.

 

Wat de reeks niet alleen aantrekkelijk, maar ook onvergetelijk maakte, waren de illustraties van Jean-Léon Huens. Vaak liet hij zich inspireren door schilderijen van oude meesters — mijn eerste Van Eyck of Van der Weyden zag ik door zijn ogen — maar net zo goed ging hij zijn eigen gang. Hij probeerde onverwachte gezichtspunten uit, kadreerde verrassend, schilderde tronies van stervende mensen. Zijn realistische stijl verankerde zich in mijn geheugen. Heeft iemand het over Karel Martel, Godfried van Bouillon of Willem van Oranje dan verschijnen ze in mijn hoofd zoals hij ze ooit verbeeldde.

 

Het hoogtepunt van zijn kunnen stond op bladzijde vijftien van deel III, onder het kopje N° 182: Nancy. Meestal serveerde Huens een sprekend portret, een aangrijpende scène of een detail van een of andere veldslag, maar deze keer blonk zijn illustratie uit in ogenschijnlijke leegte.

 

Telkens als ik deze prent zie, ben ik weer veertien. Zie ik opnieuw dat winterlandschap zoals ik het toen zag: een boom, een met sneeuw bedekte vlakte, twee gewapende mannen die in de verte komen aanlopen. Ik verbaasde me over de kaalheid van die overwegend sneeuwwitte illustratie. De boom en de mannen waren details in de marge. Benieuwd las ik het commentaar van Schoonjans: ‘In 1477 belegerde Karel de Stoute de stad Nancy. Hij vond er de dood in een gevecht waarvan de omstandigheden duister zijn gebleven. Zijn lijk werd, half verslonden door de wolven, onder de sneeuw teruggevonden.’ Opnieuw keek ik naar de prent en toen pas zag ik hoe zich in de schaduw van de boom een donkere vlek aftekende in de sneeuw. Je kon er de contouren van een dood lichaam in ontwaren.

 

Mijn ogen moeten van tekst naar prent en weer terug zijn gesprongen. Steeds dezelfde vragen doken op. Wie was Karel de Stoute? Waarom heette hij zo? Wat was hem in godsnaam overkomen bij Nancy? En hoe zat het met die wolven? Hoezeer ik door het verdere verloop van de geschiedenis ook werd gegrepen, telkens keerde ik terug naar deze illustratie.

 

Naar de wolven, de sneeuw, het lijk… naar het mysterie van Nancy.

 

Pas dertig jaar later zou ik het helemaal uitvlooien. De tragische ondergang van Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, is namelijk een belangrijk element van dit boek, waarin ik niet alleen op zoek ga naar de ware toedracht van deze anekdote, maar ook naar datgene wat

Huens en Schoonjans in ’s Lands Glorie op hun manier probeerden boven te spitten: de oorsprong van onze contreien. En dan bedoel ik niet België, want alle goede bedoelingen van Schoonjans ten spijt doken eerst de Lage Landen op, pas daarna was er sprake van België en Nederland.

 

Uiteindelijk las ik in 1987 weer verder in Thea Beckman. Na Geef me de ruimte! (1976) volgden Triomf van de verschroeide aarde (1977) en Het rad van fortuin (1978). Ontelbare Belgen en deze keer ook Nederlanders verslonden de avonturen van Marije alias Marie-Claire en haar zoon Matthis. Hun avonturen tijdens de Honderdjarige Oorlog beschouw ik als mijn eerste grote leeservaring. Dit was het ware leven: dikke boeken lezen die eeuwenoude gebeurtenissen nieuw leven inblazen, in de huid van iemand anders kruipen, trillen van emotie en spanning. En tegelijkertijd veel bijleren.

 

Beckman liet haar trilogie spelen in de jaren 1346-1369. Ze voerde personages ten tonele die me nog jarenlang zouden achtervolgen: Bertrand du Guesclin, Jan de Goede, Karel v, Etienne Marcel. Om nog te zwijgen van het decor: de slag bij Crécy en die bij Poitiers, het Parijs en het Brugge van de veertiende eeuw. Ze komen allemaal voor in het boek dat u nu in handen hebt. De periode tussen haar drieluik en de dood van Karel de Stoute vormt er het kloppende hart van.

 

Sommige leeservaringen zijn zo sterk dat ze decennialang blijven gisten, om dan als een duiveltje uit een doosje tevoorschijn te springen. Op een dag kon ik de verleiding niet meer weerstaan en dook in de bres die Beckmans trilogie en Huens’ prent nummer 182 in mijn verbeelding hadden geslagen. We zijn zelf net zoals de wereld om ons heen: de vrucht van het verleden.

 

 

 

Jarenlang keek ik over het muurtje. De blik ging steevast zuidwaarts. Naar Frankrijk. Door me te laven aan die cultuur ben ik geworden wie ik ben. Pas veel later stelde ik vast dat mijn voeten al die tijd hier waren blijven staan. Eerst nog in de zanderige ondergrond van de Kempen, dan in Antwerpse straten, uiteindelijk in de West-Vlaamse klei en door mijn steeds frequentere doortochten in het noorden ook in de Hollandse polders. Plotseling liet mijn blik de zuidelijke horizon in de steek en zakte naar beneden. De plek waar mijn voeten stonden begon me te intrigeren. Hoe kon ik al die jaren mijn wortels zo hebben verwaarloosd?

 

Onze geschiedschrijving staat bol van de boekwerken waarin wordt uitgelegd hoe de Nederlanden eind zestiende eeuw uit elkaar vielen. De historiografie heeft zoveel aandacht voor die pijnlijke boedelscheiding dat we ons zelden de vraag stellen hoe het daarvoor zat. Alsof we altijd samen waren geweest.

 

Ik begon te lezen en reisde door de tijd langs Dijon, Parijs, Rijsel, Brugge, Gent, Brussel, Delft, Gouda, Nijmegen en ’s Hertogenbosch. Ik zag ontbolsterende steden, ontwakend individualisme en uitstervende ridderidealen. Schizofrene koningen, doortastende hertogen en geniale kunstenaars. Brandstapels en banketten, pest en steekspelen, Jeanne d’Arc, Filips de Goede en het Gulden Vlies. De lange zoektocht leidde me naar het ontstaan van de Nederlanden in de vijftiende eeuw. En wat bleek? De Lage Landen zijn een Bourgondische uitvinding.

 

Uiteraard bestond al ontelbare jaren het geografisch gegeven van de ‘lagen landen bi de zee’, zoals een anonieme monnik het ooit verwoordde, maar de inwoners van de daar gesitueerde vorstendommen leefden meestal in hoge mate onafhankelijk van elkaar. De domeinen vormden de losse delen van wat pas in de late middeleeuwen werd samengesmolten. De Bourgondische hertogen Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede en de bij Nancy omgekomen Karel de Stoute speelden in dit proces een vooraanstaande rol en ontpopten zich als de aartsvaders van de eengemaakte Nederlanden. Filips de Stoute legde de basis, zijn nazaten bouwden de erfenis uit en kleinzoon Filips de Goede zou de onder zijn gezag verenigde landen aan de benedenloop van Rijn, Maas en Schelde voor het eerst een staatkundige dimensie geven.

 

Alles begon toen Filips de Stoute als hertog van Bourgondië in het huwelijk trad met Margaretha van Male, de dochter van de Vlaamse graaf. Hun trouwfeest in Gent op 19 juni 1369 leek dan ook de gedroomde opening voor dit boek. Alleen had ik na drie bladzijden al vijftien voetnoten nodig wilde ik mijn tekst niet nodeloos verzwaren door iemand als Lodewijk van Male te situeren, of een begrip als feodaliteit uit te leggen. Kortom, ik had een aanloop nodig of het verhaal zou bezwijken onder informatie waarvan ik niet kon veronderstellen dat elke lezer ze paraat heeft.

 

Een halve eeuw eerder beginnen zou wel volstaan. Toch niet, zo bleek. Dan maar honderd jaar? Uiteindelijk gooide ik de hengel zowat een millennium eerder uit. Als ik nu eens bij wijze van start, zo dacht ik, het grote verhaal van de middeleeuwen probeerde te vertellen vanuit het standpunt van de oude Bourgondiërs, het Germaanse volk dat voor het eerst in onze geschiedenis opdook in 406, de koninklijke voorgangers van de hertogen uit de veertiende en vijftiende eeuw? Het was een pittige uitdaging om dit grotendeels in nevelen gehulde tijdperk op een alternatieve manier tot leven te roepen, maar het loonde de moeite. Niet alleen wezen de oude krijgers de weg naar tal van historische sleutelmomenten, ze losten bovendien mijn probleem op: de lezer zou de Bourgondische reis met de juiste bagage ondernemen.

 

Bestrijkt het eerste deel van het boek bijna duizend jaar (406-1369), het volgende beslaat een eeuw (1369-1467). In het derde deel komt een decennium (1467-1477) aan bod. Volgen de delen vier en vijf, die welgeteld een jaar (1482) en een dag duren. Dit boek heeft de vorm van een omgekeerde piramide. Het spreidt zijn vleugels breed uit, vliegt aanvankelijk met snelle halen hoog over de middeleeuwen, neemt dan de tijd de gebeurtenissen van dichterbij te observeren en terwijl de focus steeds scherper wordt, stevent het traag, maar zeker af op een welgekozen eindpunt, een vergeten dag in Lier, een stadje in het vroegere hertogdom Brabant, de plek waar op 20 oktober 1496 de westerse geschiedenis kantelde.

 

Alsof Frankrijk me voor bewezen diensten wilde bedanken stuurde het tien jaar geleden een Française op mijn pad — daar kan geen Légion d’honneur tegenop. Op de koop toe bleek ze uit een Bourgondische familie te stammen en had ze haar jeugd gesleten in het oude hertogdom. Welgeteld 647 jaar na de trouwerij van Filips de Stoute en Margaretha van Male vierden wij ons Vlaams-Bourgondische huwelijk. De bruidsschat was minder imposant en het banket kon evenmin tippen aan de gargantueske feestmalen van de Bourgondische hertogen, maar de beslissing om te trouwen kwam ongeveer tegelijkertijd met het voornemen om de historische band tussen Bourgondië en de Nederlanden te boek te stellen. Mijn kersverse echtgenote moest toegeven dat ze ondanks haar afkomst weinig of niets van de hertogen wist, laat staan van de band met onze gewesten. In de Franse geschiedenis is Bourgondië altijd een ondergeschoven kindje geweest. Wie het verhaal kent begrijpt waarom.

 

Onze piepjonge dochter volgde het hele proces vanaf de eerste rij. Het Frans en het Nederlands kreeg ze met de paplepel ingegoten. Vandaag steekt ze zonder het te beseffen tientallen keren per dag de taalgrens over. Een paar keer per jaar reist ze ook letterlijk naar het zuiden, meer bepaald naar het Bourgondische moederland. Ik besloot haar gaandeweg over mijn nieuwe boek te vertellen. Misschien schreef ik het in de eerste plaats wel voor haar? Was zij niet Frans-Belgisch? Vlaams-Bourgondisch? Kortom, de ideale lezer van het in wording zijnde boek?

 

Kon ze na mijn vorige werk al behoorlijk goed de veldslagen van Napoleon scanderen, nu verbaast ze museumbezoekers. Toen ik haar onlangs in het Musée des Beaux-Arts van Dijon meenam naar het portret van een in het zwart gehulde kerel met een klare blik, een zwarte kaproen op zijn hoofd en de keten van het Gulden Vlies om zijn nek, vroeg ik haar onvoorbereid of ze wist wie dit heerschap was. Gezwind en zonder nadenken antwoordde de niet eens vierjarige meid: Filips de Goede! 

 

Alvast één iemand die de man op de cover van mijn boek zou herkennen, dacht ik, het mooist bewaarde portret van de eigenlijke stamvader van de Nederlanden, naar een verloren origineel van Rogier van der Weyden. Terwijl de hertogen met veldslagen, huwelijken en hervormingen de versnipperde Lage Landen tot één geheel smeedden, ontstonden onder hun impuls de onvergetelijke werken van Klaas Sluter, Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en Hugo van der Goes. Het verhaal van de Bourgondiërs vertellen is als het openen van een schatkist vol meesterwerken.

 

De gretigheid om na mijn vorige boeken eindelijk in de geschiedenis van de Nederlanden te duiken was groot. Tijdens het schrijfproces viel me evenwel op dat ik niet anders kon dan grote delen van de Franse geschiedenis in mijn verhaal te betrekken. Tenslotte was Filips de Stoute, de eerste van de vier hertogen, de jongste zoon van de Franse koning Jan de Goede, broer van Karel v en regent van de jonge Karel vi. De spanning tussen Frankrijk en Bourgondië (en later, de Bourgondische Nederlanden) drong zich op als een onvermijdelijke rode draad.

 

Ik moest toegeven dat het anders liep dan verwacht. Wilde ik het verhaal van de Lage Landen goed uit de doeken doen, dan moest ik immers beginnen met wat ik juist had willen vermijden: over het muurtje kijken. Daar ging mijn blik opnieuw zuidwaarts. De ogen gericht op Frankrijk. Pas gaandeweg trok mijn verhaal naar het noorden. Dat ging stapsgewijs. Stukje bij beetje. Het proces weerspiegelde perfect de evolutie die ikzelf had doorgemaakt.

 

De wortels van onze contreien lopen ondergronds door naar het zuiden. Ik had het nooit kunnen bevroeden, maar mijn zuidwaartse blik en noordelijke roots waren gedoemd om elkaar te kruisen.

 

Bart Van Loo

Druy-Parigny (Bourgondië), zomer 2015 – Moorsele (Vlaanderen), herfst 2018